De Kunstpraktijk Dorpstraat 6a 5504 HH Veldhoven T / 040-2904782, 06-53602704 e-mail / info@dekunstpraktijk.nl

Hoe voorzien beeldend kunstenaars in hun onderhoud?

Een verslag van de bijeenkomst van kunstenaars, georganiseerd door de BBK, in Arti et Amititiae te Amsterdam

door Aurelia van der Burght

De kunstenaar als cultureel ondernemer? Van de aanwezigen in de zaal van Arti gaf zegge en schrijve drie en een halve kunstenaar te kennen dat hij of zij in staat is zich zelf te onderhouden uit inkomsten verdiend uit zijn of haar beroepspraktijk. De rest van de belangstellenden - en de zaal bij Arti zat mutje vol - had een bijbaan, een partner of beschikte over andere middelen. Opmerkelijk was verder dat de WIK-regeling als een koude saneringsregeling werd betiteld. Directeur Jo Houben van Kunstenaars & Co, de overkoepelende organisatie die zich bezig houdt met de uitvoering van de WIK, onderschreef deze uitspraak. En pleitbezorgers te over voor uitbreiding van de WIK van vier naar acht jaar.

Hoe voorzien kunstenaars in hun onderhoud? Dat was het thema van de bijeenkomst in Amsterdam georganiseerd door de BBK in Arti et Amicitiae op maandagmiddag 10 juni. Hoe is de situatie nu. Waar willen we naartoe. Wat moet daar voor gebeuren. Journalist Sandra Rottenberg leidde voortvarend de discussie. In een korte inleiding gaf Paul Dikker, BBK bestuurslid en organisator van de bijeenkomst, aan waarom het van belang is het gesprek en de discussie over de inkomenspositie van de kunstenaars te voeren. Een eerste evaluatie van de WIK staat voor de deur en de inkomenspositie van kunstenaars als beroepsgroep in Nederland staat volop in de picture. Criteria voor het subsidiebeleid zijn niet helder. Subsidiestromen leveren problemen op. Galeries vragen hoge percentages. En Nederland staat een bezuiniging van 10 miljard te wachten als de coalitievorming ten behoeve van een centrum rechtse regering slaagt. Kortom stof te over voor het beleggen van een bijeenkomst.

Inzicht in een beroepspraktijk met en zonder WIK kregen de aanwezigen door de presentaties van Herman Hofmans - kunstenaar te Arnhem met WIK -, Hans Hellingwerf - kunstenaar te Amsterdam met bijbaan -, Sam Drukker - kunstenaar te Amsterdam, kan van zijn inkomsten leven -. Verder gaf Hans Abbing, beeldend kunstenaar/econoom en schrijver van het boek 'Why are artists poor' zijn visie op de beroepspraktijk. Hij denkt dat vier WIK-jaren voldoende zijn voor de opbouw van een renderende beroepspraktijk. Herman Hofmans maakt al vanaf het begin van de WIK gebruik van deze regeling. Daarnaast heeft hij een bijbaan als docent en voert dus een gemengde beroepspraktijk. De WIK betekent voor hem beroepserkenning zowel ten aanzien van zijn omgeving als voor de belastingdienst. De mogelijkheid pensioenrechten op te bouwen is voor hem ook van belang. Hij exposeert daar waar hij gevraagd wordt en verkoopt veel van zijn werk vanuit eigen atelier. Over zes maanden loopt voor hem de WIK regeling ten einde. Voor Hofmans dan tijd om uit te kijken naar nog een bijbaantje. Hans Hellingwerf maakte destijds gebruik van de BKR regeling. Daarna heeft hij, naast zijn kunstenaarschap, altijd een baan gehad. Een ander deel van zijn inkomen verwerft hij via de kunstuitleen. Voor hem is het van belang een goed evenwicht te vinden tussen het maken van kunst en zijn werkzaamheden via de bijbaan. Veel energie steekt hij niet in het onder de aandacht brengen van zijn kunst. Voor hem is dat energieverlies. Het is wel van belang voor hem zijn onkosten dekkend te houden. Sam Drukker behoort tot die categorie van kunstenaars die geheel van zijn werk kan leven. Drukker had een aantal jaren een bijbaan als museumdocent. De opbouw van zijn beroepspraktijk kostte hem acht tot tien jaar. Vandaar dat hij aangeeft het niet reëel te vinden dat de WIK slechts voor een periode van vier jaar geldt. Drukker beschouwt zich zelf als vrij ondernemer, maar een zeker gevoel geeft hem dat niet. Hij probeert toch op safe te spelen vanuit de angst dat het straks minder zal gaan worden. Vandaar dat hij zijn kosten zo laag mogelijk probeert te houden en het aangaan van een groot en duurder atelier erg lang heeft uitgesteld.

Van Gogh complex

Bij een cultureel ondernemerschap hoort het genereren van een omzet. Voor menig kunstenaar een groot probleem. Niet alleen bewegen -economisch gezien- zich te veel kunstenaars in de kunstmarkt, het is tevens een markt waar niet iedere kunstenaar beroemd kan worden en blijven. Door het grote aantal kunstenaars is het aanbod van kunst bij galeries veel te hoog, waardoor galeries ten opzichte van kunstenaars een machtspositie kunnen innemen. Ook dat zou niet bevorderlijk zijn voor de inkomstenpositie van de kunstenaar. 'Eigenlijk zou er een ontmoedigingsbeleid ingesteld moeten worden waardoor de kunstenaar in spé zich bewust is waaraan hij of zij begint' aldus Abbing. Hij weerlegt dat galeries te hoge percentages berekenen. 'De verdiensten van galeries zijn bijna net zo slecht als die van kunstenaars, vaak leggen zij er geld op toe om in de markt te blijven. Het is niet erg dat galeries hoge percentages berekenen, laat ze daar maar hard voor werken.' Aan de andere kant is de afnamekant, het publiek, voor de galerie -en dus voor de kunstenaar- een moeilijk te nemen horde. De angst voor kunst blijft bij een groot deel van het publiek onverminderd bestaan. De verkoopcijfers zouden hoger kunnen zijn, mits het publiek haar drempelvrees om een galerie binnen te stappen kan overwinnen. Verder blijkt kunst een conjunctuurgevoelig product te zijn. Bij verslechtering van de economie dalen onmiddellijk de verkoopcijfers bij de galeries. Op welke manier kunnen kunstenaars met hun kunst hierop inspelen? Dat is nauwelijks mogelijk. Achteruitgang in de economie voelen kunstenaars onmiddellijk in hun portemonnee. En ongetwijfeld speelt het 'Van Gogh complex' eveneens een rol. Sinds de opkomst van de Romantiek leeft het beeld van 'de arme kunstenaar'. Een beeld dat is ingesleten bij het grote publiek. Een beeld waar maar moeizaam afstand van gedaan kan worden. Al anderhalve eeuw lang dient een kunstenaar in de ogen van anderen een arm bestaan te leiden. 'Als je vertelt dat je getrouwd bent en vier kinderen hebt, zal de waardering voor jou als kunstenaar minder zijn. Het blijft verdacht als je ervan kan leven', aldus Abbing. 'Een alternatief voor dit romantische beeld zou zijn dat het kunstenaarschap voorgesteld wordt als een plek waar je jezelf kan zijn. Het biedt ruimte waardoor je meer mens kan zijn.'

Saneringsregeling

De WIK-regeling (Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars), bedoeld voor kunstenaars als opstap naar de opbouw van een renderende beroepspraktijk, bestaat nu bijna vier jaar. Het is een regeling waarbij kunstenaars maximaal vier jaar gebruik kunnen maken van een aanvullende uitkering. Dat hoeft geen aaneengesloten periode te zijn. De vier jaar WIK-recht kan over een periode van tien jaar gebruikt worden. Een inkomens -en vermogenstoets liggen er aan te grondslag. Ook dienen kunstenaars een beroepsmatigheidstoets af te leggen. Echter, zijn de vier WIK jaren opgebruikt en is de kunstenaar niet in staat in eigen onderhoud te voorzien, dan is terugvallen in de bijstand geen optie. Komend najaar wordt de WIK regeling geëvalueerd 'Het ministerie van Sociale Zaken ontvangt rapporten opgesteld door drie verschillende onderzoekbureau's. Zij hebben antwoorden opgesteld naar aanleiding van vragen zoals wat vinden kunstenaars van de WIK, hoe zit de uitvoering in elkaar, wat zijn de kosten van de uitvoering', aldus directeur Hoeben van Kunstenaars & CO, overkoepelend orgaan voor de uitvoering van de WIK. Vervolgens wordt de WIK rapportage aan Politiek Nederland overhandigd. De eerste cijfers geven aan dat zeventig tot tachtig procent van de kunstenaars met de WIK regeling tevreden tot zeer tevreden is. Rottenbergs rondje door de zaal van Arti gaf een andere kijk op de WIK-zaak. Bijna niemand van de aanwezigen was tevreden met de WIK-regeling. 'De WIK regeling is een koude saneringsmaatregeling, een vat van gemiste kansen', merkte een van de kunstenaars in de zaal op en vroeg zich daarbij af welke bedoeling het ministerie bij het ingaan van de regeling nastreefde. Houben reageerde: 'De WIK regeling is een regeling zonder doelstelling. Daar willen ze niks mee.' Naar aanleiding van de ongezouten kritiek op de uitvoering van de WIK merkte Bert Holvast, directeur Federatie Kunstenaarsverenigingen, op dat de vergadering niet te negatief over de WIK regeling moest oordelen. 'Als we de WIK kwijt raken gillen we harder. Het is zaak dat deze regeling overeind blijft. Dus gooi het goede ervan niet weg.' Verder was hij van mening dat Nederland zonder meer méér geld aan kunst en haar kunstenaars moet besteden. Gepleit werd voor een verdubbeling van het aantal WIK jaren. Redenen: In vier jaar is het nauwelijks haalbaar een renderende beroepspraktijk op te bouwen en door de uitstroom van kunstenaars uit de WIK zou een te groot verlies aan professionaliteit ontstaan. Ook zou het doorsnijden van de connectie Sociale Dienst en de WIK een positieve uitwerking hebben op de mogelijkheden die een kunstenaar in huis heeft. Kunstenaars & Co, de instantie die de beroepsmatigheidstest uitvoert, zou ook de WIK - gelden moeten beheren. Het continu toetsen tijdens het WIK-traject werd als een te grote belasting ervaren en mag herzien worden.

Loterij

Hoe nu verder te gaan in de toekomst? Behalve de WIK zijn er andere problemen waarmee kunstenaars geconfronteerd worden. Een greep uit de ideeën aangereikt door kunstenaars en werkers in het veld, ter stimulering van een beter ondernemersklimaat.

Kunstenaars zouden ook aanspraak moeten kunnen maken op inkomsten die de grote musea-instellingen genereren.

Het kunstenaarschap is intellectueel en wetenschappelijk gericht. In die zin zou de kunstenaar ook gesubsidieerd kunnen worden.

Het opstellen van een marketingplan -en een follow up- zou kunstenaars kunnen helpen in hun ondernemerschap.

Het instellen van een nationale creativiteitsbank: kunstenaars beschikken over zoveel capaciteiten. Met een goede inventarisatie zouden kunstenaars betaalde werkzaamheden op allerlei terreinen kunnen uitvoeren.

Het instellen van een inburgeringscurcus op het gebied van de kunsten voor Politiek Nederland: zodat politici met meer know-how en meer begrip keuzes kunnen maken.

De dure commissies van het Fonds BKVB mogen opgeheven worden: ze spelen elkaar toch alleen maar de bal toe. In plaats hiervan kan het Fonds beter worden toegerust met een Loterij. Dan maakt iedere kunstenaar, zonder aanzien des persoon, een kans op toewijzing van een subsidie en behoren waardeoordelen voortaan tot het verleden. Jaarlijks heeft het Fonds 32 miljoen te verdelen.

Een van de kunstenaars vergeleek de staking bij de melkfabrieken en de melkproductie van de koeien met de situatie waarin de kunstenaars verkeren: Kunstenaars kunnen niet staken. De productie van kunst door de kunstenaar blijft doorgaan, onafhankelijk van de afname.

De zaal vroeg verder veel meer aandacht voor het kunstonderwijs op de scholen. Hiermee kan een basis gelegd worden voor de broodnodige waardering voor de kunsten en de kunstenaar. Drempels kunnen hierdoor worden weggenomen.

De bijeenkomst werd afgesloten met een borrel. Om halfzeven was deze nog niet ten einde.

Uit het Centraal WIK Bestand (CWB):

Sinds de invoering van de WIK op 1 januari 1999 hebben 6677 kunstenaars gebruik gemaakt van de WIK. Inmiddels zijn er 2506 kunstenaars weer uitgestroomd. Op dit moment zitten er 4171 kunstenaars in de WIK. De verwachting is dat in het jaar 2003 in het totaal 3685 kunstenaars uitstromen, omdat voor hen hun vier jaar recht op WIK er op zit. Op 1 januari 2002 zijn dit al 956 kunstenaars. Van alle WIK-kunstenaars (ook zij die reeds uitgestroomd zijn) zijn er 3589 man en 3088 vrouw. Een kunstenaar kan uit de WIK stromen doordat hij/zij het voorgaande kalenderjaar niet aan de omzeteis van € 1.089,- heeft voldaan. Of juist omdat hij/zij voldoende verdiend om zonder WIK in het eigen bestaan te voorzien.

Het CWB geeft niet aan hoeveel kunstenaars na vier jaar WIK er in geslaagd zijn een renderend zelfstandig ondernemerschap op te bouwen.

Politiek Den Haag evalueert in het najaar 2002 de WIK. In verband hiermee heeft het ministerie van Sociale Zaken een onderzoek laten instellen naar de WIK. Cijfers die uit dit onderzoek voortkomen zullen ook een indicatie geven hoeveel kunstenaars na vier jaar WIK er in geslaagd zijn een rendabele beroepspraktijk op te bouwen. De cijfers uit het onderzoek krijgt Politiek Den Haag als eerste ter inzage. Daarna pas het beroepsveld.

Aantallen WIK instroom 1999 tot 1 april 2002 volgens CWB

(informatie Kunstenaars & Co)

1999 absoluut percentueel
Zij-instromers 832 22,4%
ABW-uitstromers 2203 59,3%
Academieverlaters 678 18,3%
  3713 100%
2000    
Zij-instromers 832 52,6%
ABW-uitstromers 194 12,3%
Academieverlaters 556 35,1%
  1582 100%
2001
Zij-instromers 575 51,3%
ABW-uitstromers 65 5,8%
Academieverlaters 481 41,9%
  1120 100%
2002
Zij-instromers 8 50%
ABW-uitstromers 3 18,8%
Academieverlaters 5 31,2%
  16 100%

top

De Kunstpraktijk all rights reserved © 2001-2009, Aurelia van der Burght