|
De Kunstpraktijk, Dorpstraat 6a, 5504 HH Veldhoven |
Louis Couperus
|
||||
1863 -1923
|
||||
Gij weet, dat het meer van Omi, dat ligt bij Kyoto en Otsu zo zeer op een luit gelijkt, dat het wel eens Biwa-meer wordt genoemd want een ‘biwa' is een soort luit. Het is een heel mooi meer en vooral als de esbomen tegen den herfst rood purperen bladeren krijgen; dan schijnt het wel, dat sommige boorden van het Biwa-meer, dat is het meer van Omi, liggen in een krans van van rood gelakt lover. En van de uiterste takken der esbomen, die met een teder gebaar als van liefkozing neêrspreiden over het kalme water – daar waar de vissers hunne, aan pijlen gelijke, visvallen zetten, een staketsel gelijk aan den meerboord – dwarrelen de rode esbladeren, de uiterste, af en liggen als drijvend koraal, op het water. Ik weet niet waarom de wind zo mooi over het water van het Biwa-meer bladeren kan doen dwarrelen, mooier dan elders; misschien schuilt er wel iets in van de toverij van een fee? |
![]() |
|||
Beroemd is het Biwa-meer om niet minder dan Schoonheden acht want het wil niet onderdoen voor andere oorden van Dai-Nippon - het Grote Japan -, die Schoonheden hebben, drie of zeven of negen. Het Biwa-meer telt er acht; is het niet de Herfstmaan over het klooster van Ishiyama, die de eerste Schoonheid is? En telt dan niet als de tweede de Avondsneeuw over Hirayama's heuvelen? Als de derde de Zonsondergang over Seta? Nog vijf andere Schoonheden zoû ik u noemen kunnen, maar die over Seta genoegt thans mijn doel. Want op een herfstnamiddag wil ik u tonen tegen dien gloed van goud in het westen, éen effen westergloed van goud, de kraalrode bladeren der esbomen vele en omdat de fee van den wind waait, de rode bladeren zo mooi dwarrelende, tot neêr op het water, dat kabbelt van karmozijn. Vergeet dan ook niet op te letten hoe de Lange Brug ijl spant waar het meer zich tot Setagawa versmalt, dat is de rivier van Seta. Het is een dubbele brug, want een eilandje ligt in het midden des waters en de brug buigt van den enen boord naar het eilandje en van dat eilandje weêr naar den anderen boord. En zwart als git zijn dan de ijle bruggebogen, uiterst fijn gepenseeld tegen den gouden gloor en zich vertweevoudigend tot weder een brug en wederom een tweeden brug, tot een dubbelen dubbelbrug in het water, waarin het beeld, in het karmozijn, dat kabbelt, tot kleine stukjes brugboog verspiegelt. |
||||
Dit was zo schoon, dat de schilder – ai, nu heb ik zijn naam vergeten! – die jonge schilder, die eens zó beroemd zoû zijn? -, den brug overgaande, geboeid bleef staan kijken naar het goud en het rood, terwijl de wind speelde om hem heen. Hij was op weg naar den anderen zoom van het meer, waar de koopman, die hem waaiers had te beschilderen gegeven, in zijn landhuis nog toefde deze schoonste herfstdagen, dat de esbomen rood zijn als koraal. In een zijden lapje had hij zijn waaiers gewonden en droeg het pakje onder zijn arm. Hij had er wel twaalf of twintig, juist weet ik dat niet, die hij beschilderd had voor den koopman. En hoe het kwam, kan ik u ook al niet zeggen, maar een van de waaiers glipte uit het lapje, plooide open, en, door den wind weg geblazen, fladderde éen ogenblik de lucht laag in. En vloog toen, als een grote kapel over de bruggeleuning om neêr op het water te vallen, tussen de dobberende essebladeren. “O!” riep de schilder teleurgesteld om het verlies van zijn waaier maar eigenlijk glimlachte hij nu, zich heugende, hoe bevallig van fladderende zweving het opgewaaide waaiertje had gedaan. |
![]() |
|||
Ja, waarom waait de wind mooier dan elders bladeren en een waaier over het Biwa-meer, van af de Lange Brug van Seta? Waarom? Bekoord was de schilder, trots zijn verlies. Hij wilde nog wel eens bekoord worden. Ten koste van een waaier? Waarom niet! Een waaier, dien hij beschilderd had en die hem zijn rijstmaal opbracht? Waarom niet! Hij wikkelde dus een tweeden waaier los uit het zijden lapje; hij plooide den waaier open - het waren al zilvergrijze duiven, die hij er op had geschilderd tussen witte irisbloemen - en . . . hij wierp nu, hoog, den waaier in de lucht. O, hoe de waaier mooi fladderde, door den wind gegrepen, en zweefde en wendde of een fee hem gegrepen zoû hebben, en haar handje, onzichtbaar, met den waaier speelde, tot zij hem weg scheen te werpen. En de waaier weêr over het water viel, bij zijn eersten lotgenoot, tussen de dobberende essebladeren. |
||||
Hoe bekoord de schilder was! Hoe bekoord hij was van schoonheid! Het was alles de schuld van de Fee van den Wind, want nu, nu aarzelde hij niet waaier na waaier uit het zijden lapje te nemen, al de waaiers, die hij voor zo vele rijstmalen als hun aantal was, had beschilderd met duiven, pruime –en kersenbloesems, musjes op sneeuwbeladen twijgen of ook wel met schuitjes, vol musicerende meisjes varende op het Biwa-meer, en die éen voor éen open te plooien en te slingeren hoog in de lucht! Om hun zweving te zien en fladdering, als grote kapellen de lucht door, op den wind, die speels woei, tot de bladeren neêrvielen, den een na de ander, tussen de dobberende essebladeren. |
||||
Toen stond de jonge schilder éen ogenblik beteuterd op den Langen brug van Seta. Hij had nu al zijn werk, dat was zoveel waard als zo vele rijstmalen, in de lucht, in den wind geslingerd? Ja, dat had hij gedaan. En daarom lachte hij, blij gelukkig om wat uiterste schoonheid van fladdering geweest was, nam het lege, zijden lapje, wuifde het hoog, en liet het los, opdat het mede mocht fladderen, zo ijl, zo teêr, zo zacht van kleur, als een mooi vogeltje . . . tot dat ook het zijden lapje neêr fladderde over het water, tussen de twaalf of twintig dobberende waaiers en de dobberende essebladeren. |
![]() |
|||
Waarom dan toch ook waait de wind mooier dan elders bladeren en waaiers en wat niet al weg, in het water van af den Langen Brug van Seta? |
||||
1923. |
||||
Uit: “Het snoer der ontferming”. N.V. Nijgh & Van Ditmar, Den Haag. |
||||
POËZIE EN PROZA II, W.L.M. van Leeuwen, F.G. Stemvers. J.B. Wolters, Groningen. 1966. |
||||
|
||||
Aurelia van der Burght_une force vulnérable |
||||